Huidige stand van zaken: De ziekte stoppen versus écht genezen
In een recent overzichtsartikel in het wetenschappelijke vakblad Expert Opinion on Therapeutic Targets beschrijft dr. Marcel V. Alavi (2026) dat er momenteel een duidelijke en hoopvolle beweging gaande is in de farmaceutische industrie. De focus ligt hierbij nu primair op het stoppen of remmen van de ziekte. De meest geavanceerde programma’s die momenteel bij mensen worden getest op veiligheid en tolerantie, zijn antisense-oligonucleotiden (zoals de moleculen PYC-001 en STK-002). Dit zijn geavanceerde RNA-therapieën, oftewel RNA pleisters. Deze behandelingen worden via een ooginjectie toegediend en zijn ontworpen om het tekort aan het functionele OPA1-eiwit in de cellen direct aan te vullen.
Hoewel deze ontwikkelingen zeer hoopvol zijn om verdere achteruitgang te stoppen, is échte genezing – in de zin van het herstellen van reeds verloren gegaan gezichtsvermogen – helaas nog verder weg. Onderzoekers kijken weliswaar naar herstellende geneeskunde (zoals het transplanteren van nieuwe stamcellen om de aangetaste cellagen te repopuleren), maar dit stuit op enorme biologische barrières. De nieuw geplaatste cellen moeten namelijk zenuwbanen helemaal naar de hersenen laten groeien en daar op de juiste plek verbinding maken. In een volwassen, reeds beschadigde omgeving is dat extreem complex. De nadruk van de medicijnen die nu dichtbij zijn, ligt dus echt op behoud van wat er is.
Beperkte opties voor ADOA+
Het onderzoek bevindt zich na 25 jaar gen-ontdekking op een belangrijk kantel- en knooppunt. Er worden twee duidelijke routes gezien die veel potentie hebben voor de toekomst:
1. Kansrijk voor ADOA (gericht op het oog): De genetische benaderingen die direct aangrijpen op het OPA1-gen zijn het meest concreet. Naast de antisense-therapieën die al in klinische trials lopen, laten ook laboratoriumtechnieken zoals CRISPR-activatie goede resultaten zien in proefmodellen. Dit werkt als een soort biologische ‘volumeknop’. Het is een techniek waarmee de eigen, nog gezonde OPA1-eiwitproductie in de cel extra hard wordt aangezet. Specifiek het doel van CRISPR-activatie is om de eigen gezonde eiwitproductie te stimuleren en specifieke aanpassingen voor genetische ‘splicing’-defecten (zoals U1 snRNA) goede resultaten zien in proefmodellen. Splicing is het ‘knip-en-plakwerk’ van genetische bouwtekeningen in onze cellen. Als hier fouten in zitten, kan de cel geen goed eiwit maken. Het molecuul U1 snRNA werkt als een precisieschaar om dit knip- en plakwerk te herstellen. Belangrijk inzicht: Uit scans blijkt dat de achteruitgang van de zenuwlaag bij ADOA waarschijnlijk al deels plaatsvindt tijdens de vroege ontwikkeling in de baarmoeder. Dit betekent dat genetische behandelingen in de toekomst vermoedelijk de hoogste effectiviteit zullen hebben als ze zo vroeg mogelijk in het leven (bijvoorbeeld al in de vroege kinderjaren) worden gestart.
2. Kansrijk voor zowel ADOA als ADOA+ (lichaamsbreed): Een zeer belovende route die ook voor ADOA+-patiënten uitkomst kan bieden, richt zich op alternatieve eiwitten in de cel: OMA1 en DNM1L. Onder normale omstandigheden reguleren deze eiwitten de stressreacties en de celdeling van onze mitochondriën (de energiefabrieken van de cel). Bij een OPA1-tekort zorgen deze eiwitten er echter voor dat de mitochondriën fragmenteren en cellen sneller afsterven. Het blokkeren van OMA1 of DNM1L met medicijnen (in de vorm van kleine moleculen, zoals traditionele pillen) biedt een sterke celbeschermende strategie die de ingewikkelde OPA1-correctie omzeilt. In het laboratorium is al aangetoond dat een DNM1L-remmer (Mdivi-1) de mitochondriale afwijkingen in cellen van ADOA+-patiënten succesvol kan corrigeren. Het grote voordeel van dit soort medicijnen is dat ze worden ontwikkeld als kleine molecule. Dit zijn traditionele medicijnen (zoals een pil) die klein genoeg zijn om makkelijk via de bloedbaan door het gehele lichaam te reizen. Dit opent een hoopvolle weg om in de toekomst ook de spier- en zenuwklachten buiten het oog aan te pakken.
Conclusie
We bewegen ons sneller dan ooit richting gerichte behandelingen. Hoewel oudere middelen uit de oogheelkunde (zoals idebenone/Raxone) bij ADOA weinig effect laten zien, openen de lopende trials met RNA-therapieën en het laboratoriumonderzoek naar mitochondriale beschermers nieuwe, veelbelovende wegen die hopelijk in de toekomst perspectief bieden op het stabiliseren van de ziekte. De focus ligt nu dus op het vinden van manieren om te behouden wat er is, terwijl échte genezing — in de zin van het herstellen van reeds verloren gegaan zicht — nog verder in de toekomst ligt.